|
EERST
NAAR
LEESWIJZER
INLEIDING
CHINA
CHINA LOC voor LOC
Chengde
Shen Yang
Anshan
Baotou
Fushun
Jinpeng, de pas
Datong
CHINA, THEMA'S ONDERWEG
In de trein
hard- en softsleepers
Het verkeer
Het weer
Cultuur
De Chinezen
Vuilnisophalers en vervuiling
Stedenbouw
25 dagen hello
Wc- en darmpraat
Gras
Hutongs en markt
Geld en prijzen
Eten
NOORD-KOREA
NOORD-KOREA
Inleiding
Het land binnen komen
Op naar P'Yongyang
Kim en Kim religie
Metro, treinen en locs
Een bijzondere grens
I
Gat in de weg
Een bijzondere grens
II
Het verkeer
Onderweg
De toekomst
ALGEMEEN
Slot
Links
Disclaimer
|
De
grens, binnen komen in N-Korea,
op naar P'Yongyang.
We
lopen de trappen weer af, behalve in de metro (roltrappen) en in ons hotel
(liften) zullen we in N-Korea alle hoogtes zelf te voet moeten overbruggen.
We tellen de treden maar niet. Op het perron aangekomen zien we een trein
staan, onze trein. Een loc (9003), een restauratierijtuig en 4 wagons
voor 34 reizigers en hun begeleiders en treinpersoneel. Het was natuurlijk
beslist niet mogelijk om in te voegen in een bestaande trein. We nemen
plaats in een van de Zwitserse BLS rijtuigen en verbazen ons over het
feit dat alle leuke details nog aanwezig zijn. De toiletten zijn origineel:
houten wc-bril en bakelieten elementen bij de wasbak. Alleen uit de zeepdraaier
komt geen zeep meer. De Zwitsers waren ook zo vriendelijk om de restjes
stof voor de bekleding van de eerste klas banken erbij te leveren. Sommige
plaatsen hebben een frisser ruitje dan anderen, maar wel hetzelfde ruitje.
In de zinderende hitte zet het geheel zich in beweging en zijn we dan
toch op weg naar de hoofdstad P'Yongyang. Langzaam edoch gestaag.
Met dit tempo kunnen we goed zien wat er op het platteland gebeurt. Een
aantal zaken zijn toch erg opvallend te noemen. Allereerst wordt duidelijk
dat het leven in N-Korea eigenlijk een lange en moeizame voettocht is.
Overal waar we komen zien we rijen N-Koreanen lopen, lopen en lopen. Grote
afstanden worden te voet afgelegd, 's zomers in de zinderende hitte, 's
winters in de kou. Het schoeisel is maar matig. In de velden zijn overal
kleine en grotere groepen mensen aan het werk. Mechanische landouw komen
we niet tegen, alle landarbeid geschiedt met de hand. De velden zijn kleinschalig
opgezet, de gewassen: maïs, rijst en aardappelen. Op bijna iedere
vierkante meter wordt voedsel verbouwd, een teken dat er een voedseltekort
is, we zien het verbouwen van voedsel doorgaan tot in de parken en binnenplaatsen
in de hoofdstad. Het doet mij denken aan foto's van graan in het centrum
van Rotterdam tijdens de oorlog na de bombardementen. Op de daken van
de huizen worden pompoenen verbouwd, ze doen het redelijk goed en de bloemen
geven toch een vrolijke aanblik.
In de velden zien we ook het leger aan het werk, deze organisatie levert
mankracht en transport. Het leger heeft het monopolie op het transport
van goederen in dit land, iedere truck is legergroen en velen verkeren
in slechte staat. Als we later op de snelweg rijden zien we er velen langs
de weg staan, met gebroken as, de motorkap omhoog of zonder achterwiel.
In de restauratie krijgen we een goed maal, N-Koreaanse eetstokjes vormen
een nieuwe uitdaging, ze lopen taps toe en zijn van roestvast staal en
dus glad. In een wiebelige trein doen we ons best om niet te onhandig
over te komen. We krijgen lauw bier bij het eten, het is donkerder dan
het Chinese bier dat we gewend zijn te drinken en heeft een vreemd dropachtig
smaakje. De trein staat langdurig stil op een stationnetje en als dan
de temperatuur oploopt tot boven de 40 graden C ben je blij met alle drinken
die je krijgen kunt. We staan langer stil omdat er iets aan de hand is
met de remmen, ik heb daar geen verstand van, maar het treinpersoneel
wel. Er steekt een stuk betonijzer uit de rand van het perron en met enige
geforceerde metaalmoeheid wordt het losgemaakt en gebruikt om de remmen
te repareren. In een land van schaarste moet je creatieve oplossingen
verzinnen, elke dag weer.
Tijdens de reis hangen we veelvuldig uit de ramen voor verkoeling en voor
het uitzicht. De loc veroorzaakt een permanente stofwolk waardoor sommige
groepsleden ineens een vreemd zwartbruine kleur op het gelaat hebben gekregen.
Al van grote aftand kunnen we de betonnen piramide van P'Yongyang zien.
Het hotel is nooit afgebouwd, uit geldgebrek of vanwege een manke contructie,
dat is niet duidelijk. Boven op dit betonnen raamwerk staat nog een eenzame
bouwkraan weg te roesten. Over een aantal jaren zal het met wel donderend
geraas naar beneden komen.
In de schemering rijden we de hoofdstad binnen, in de straten rijden 2e
hands Mercedessen en Volvo's en ook hier wordt de nationale voettocht
voortgezet. Op het station worden we zorgvuldig gescheiden van de andere
reizigers, alleen op het plein moeten we ons even mengen om naar de bus
te lopen. We rijden door de stad naar ons hoteleiland. De straten zijn
aangeveegd en vanwege de matige hoeveelheid verkeer kunnen we flink hard
doorrijden. Het verkeer is totaal anders dan we in China gewend zijn.
In het hotel kunnen we nog net even het ergste stof van ons gezicht vegen
voordat we gaan dineren in het roterende restaurant. Langzaam draait de
stad ver onder onze voeten rond, een stad zonder straatverlichting en
waar in de huizen slechts een peertje aan het plafond brandt. Alleen de
monumenten voor de Kim, de staat en de ideologie zijn uitgelicht.
Morgen mogen we het allemaal gaan zien, de gidsen hebben een 20-punten
programma voor ons georganiseerd. In de badkuip werken we aan het verwijderen
van de rest van het roet en het stof. Twee wasbeurten zijn uiteindelijk
voldoende. . ."
|